Steun ons en help Nederland vooruit

Publicaties

Provinciaal Omgevingsplan 2018 mist frisse blik

Op vrijdag 21 september stond de Provinciale Staten vergadering volledig in het teken van de behandeling van de Omgevingsplan en -verordening 2018. Rutger Schonis kwam met een sterk betoog en diverse amendementen en een motie “Aandachtsgebied Veerse Meer”. Bundeling van politieke krachten bleef uit in de Statenzaal; de campagne voor PS 2019 is begonnen!

Hieronder de bijdrage van Rutger Schonis over het Omgevingsplan 2018; het meest zichtbare en veel omvattende beleid voor de inwoners van Zeeland.

Voorzitter,

Voor ons liggen het Omgevingsplan en de Omgevingsverordening Zeeland 2018. Zoals ik begin dit jaar al aangaf, is dit wellicht het meest zichtbare beleid van onze provincie. Het gaat immers over alles om ons heen: onze hele fysieke leefomgeving waar wij wonen, werken, recreëren in onze delta wordt erdoor geraakt. Het feit dat in de aanloop van deze vergadering al het nodige is geschreven en verteld in de media over deze onderwerpen. En zoals blijkt uit de bijeenkomst van de mensen buiten op het Abdijplein en hier op de publieke tribune, laat wel zien dat deze onderwerpen burgers in onze provincie rechtstreeks raken.

Voorzitter. Ik zal vandaag eerst ingaan op het proces over het Omgevingsplan. Daarna zal ik specifiek ingaan op onderwerpen die D66 nauw aan het hart liggen. Dat zijn -hoe kan het ook anders- de energietransitie en de ontwikkelmogelijkheden van verblijfsrecreatie en dan met name die buiten de Kustzone. Ik zal met een aantal opmerkingen over het verduurzamen van de landbouw en het opnemen van een experimenteerbepaling mijn bijdrage afsluiten.

Zoals gezegd zal ik als eerste ingaan op het doorlopen proces.

Het Omgevingsplan is geen Omgevingsvisie zoals in eerste instantie wel de bedoeling was. Het op zijn best te beschouwen als een voortzetting van het beleid dat de provincie sinds de invoering van de Provinciale milieuverordening in 1993 en de herziening van het Streekplan Zeeland in 1997 (!) al heeft gevoerd. Daar is op zichzelf niets mis mee, maar op sommige onderdelen mist een frisse blik op actuele trends en ontwikkelingen (een visie dus).

Gedeputeerde Staten kiest ervoor om de nieuwe visie pas vast te stellen wanneer de nieuwe Omgevingswet een feit is. Helaas weet niemand wanneer dat zal zijn. Wat D66 betreft is dat een gemiste kans. Ik heb dat begin dit jaar ook al gezegd en ik zal dat nog een keer herhalen: College, U kunt wellicht wachten met een integrale visie tot de Omgevingswet er is, Zeeland kan dat niet.

Wij verwachten dan ook dat Gedeputeerde Staten nog voor het eind van dit jaar met concrete voorstellen komt om de resultaten van de ‘retail deal’ en de regionale energie-agenda te vertalen in concreet beleid in het Omgevingsplan.

Over de energietransitie gesproken. Het Omgevingsplan heeft hier helder de opgave voor 2030 geformuleerd: we moeten toe naar 4x zoveel opwek aan duurzame energie in 2030 (van 2,5 naar 10 PJ per jaar). Daarvoor biedt u in het Omgevingsplan meer ruimte voor wind- en zonne-energie in de provincie. Daar is D66 blij mee en voor wat betreft zonne-energie zien wij dat uw voornemen ook is vertaald naar meer mogelijkheden in de verordening. Ten aanzien van windenergie, kiest u ervoor om meer concentratielocaties in de provincie voor windenergie mogelijk te maken. Ook daar is D66 een voorstander van.

Echter. U biedt die ruimte al voor projecten die bestaan uit 3 windturbines. Ligt het niet veel meer voor de hand, om bij concentratielocaties te kiezen voor veel grotere windparken? Bijvoorbeeld parken die bestaan uit 7 of meer windturbines? De provincies Noord-Holland en Flevoland kennen dat minimum aantal immers ook. 3 windturbines leveren momenteel ongeveer 10 tot 12 MW aan productiecapaciteit op. Bij 7 turbines heb je het al snel over ruim 20 tot zelfs 40 MW. Dat soort windparken zet tenminste echt zoden aan de dijk en rechtvaardigen een forse verandering van het landschap beter dan dat een windpark van slechts 3 turbines dat doet.

In het Omgevingsplan voorzitter, wordt voorts nog de deur op een kiertje gezet om in Zeeland schaliegas te kunnen winnen. D66 is daar een uitgesproken tegenstander van en bij deze dien ik dan ook een amendement in om de tekstpassage in het Omgevingsplan hierover te schrappen en de deur definitief dicht te gooien.

Dan voorzitter, kom ik op het thema verblijfsrecreatie, zowel binnen als buiten de kustzone.

D66 is altijd een groot pleitbezorger geweest van de Kustvisie. Zowel ten aanzien van de aanpak, een integrale aanpak in samenwerking met alle betrokken partijen, als ten aanzien van het resultaat. Niet meer recreatieparken erbij bouwen, alleen ruimte bieden voor investeringen in het verbeteren van de kwaliteit van bestaande parken.

En: aandachtsgebieden benoemen waar maatwerk geboden is om bestaande knelpunten op te lossen. D66 is blij dat deze aanpak vertaald is naar het Omgevingsplan en de Omgevingsverordening voor de kustzone.

Helaas constateert D66 dat het college momenteel er nog niet voor kiest om de aanpak of het resultaat van de Kustvisie te vertalen naar locaties elders in de provincie. Sterker nog: tussen het beleid dat is verwoord in het Omgevingsplan en de juridische vertaling ervan naar de Omgevingsverordening zit een gapend gat. Ik zal dat toelichten.

In het Omgevingsplan is op p. 35 verwoord dat ook buiten de kustzone aandachtsgebieden kunnen worden aangewezen. In die aandachtsgebieden moet maatwerk worden geboden met een aanpak zoals die bij de kustvisie is gevolgd. Op p. 65 lezen we vervolgens dat het college die gebieden alleen maar wil aanwijzen wanneer daar vanuit andere partijen animo voor bestaat.

Dat spoort echter niet met artikel 2.11 van de Omgevingsverordening. Daarin is het initiatief voor verblijfsrecreatie buiten de kustzone in zijn geheel overgelaten aan de gemeenten. Wanneer zij een bestemmingsplanprocedure starten moeten zij aan een aantal voorwaarden voldoen. Die voorwaarden staan in een bijlage waarvan een gezamenlijk streefbeeld binnen ‘aandachtsgebieden’ er een van is. Maar nergens is nu gewaarborgd dat we eerst die aandachtsgebieden gaan benoemen -voordat- de ontwikkelruimte wordt vrijgegeven. Evenmin is gewaarborgd dat streefbeeld dit in gezamenlijkheid (provincie, gemeente(n), waterschap en/of andere partijen) wordt geschetst.

Dat kan wat D66 betreft toch echt niet de bedoeling zijn!

Daarom voorzitter, stelt D66 een andere aanpak voor die ik in de vorm van een amendement bij deze bij u indien. De strekking van ons voorstel is dat enkel binnen de bebouwde kom en op grond van bestaande plannen uitbreiding en nieuw-vestiging van recreatieparken wordt toegelaten buiten de kustzone.

Daarover heeft de besluitvorming immers al plaatsgevonden en is deze afgerond, dan wel dan vindt die plaats binnen het bestaande bebouwde gebied waarover de gemeenten en niet de provincie ultimo zeggenschap heeft. Daarbuiten, dus buiten de bebouwde kom en buiten bestaande plannen, staan wij die ontwikkelingen nu nog niet toe.

Eerst moeten Gedeputeerde Staten daarover in gesprek met de betrokken partijen om te kijken of eerst aandachtsgebieden aangewezen moeten worden. Pas als blijkt dat dit niet nodig is, dan wel dat partijen het erover eens zijn dat het wel nodig is, rapporteert Gedeputeerde Staten dat aan ons terug en treden de ontwikkelmogelijkheden alsnog in werking. Het is dan aan de betrokken partijen om, op de wijze zoals dat bij de Kustvisie is gedaan, te komen tot een gezamenlijke gebiedsgerichte aanpak.

Natuurlijk beseft ook D66 dat we hiermee nieuwe gewenste ontwikkelingen niet onnodig lang tegen moeten houden. Dat is de reden dat in ons voorstel een einddatum is opgenomen. Het college heeft de tijd tot 1 maart volgend jaar, wanneer onze Statenperiode eindigt. Heeft voor die tijd geen aanwijzing plaatsgevonden, omdat het niet nodig bleek, of omdat partijen er samen nog niet uit kwamen, dan is het aan de Provinciale Staten in de nieuwe samenstelling om hierover een besluit te nemen. Een vergelijkbare aanpak hebben onze staten eerder gevolgd bij bijvoorbeeld het voorstel voor het varend ontgassen.

Over die aandachtsgebieden gesproken voorzitter. Het zal toch ook het college niet zijn ontgaan dat op en rondom het Veerse Meer een grote druk bestaat om nieuwe recreatieparken toe te staan? Naar de mening van D66 voldoet het Veerse Meer bij uitstek aan uw eigen definitie dat sprake is van een aandachtsgebied. Het aanwezige landschap staat met de plannen in bijvoorbeeld Noord-Beveland en Middelburg onder druk en er is een duidelijk gevoelde maatschappelijke noodzaak om te komen tot een nieuwe balans tussen natuur, recreatie en economische activiteiten rondom bijvoorbeeld het vliegveld. In een motie voorzitter die ik bij deze indien, roept D66 het college dan ook op om het Veerse Meer vandaag al als aandachtsgebied aan te duiden.

Dan voorzitter, het verduurzamen van de landbouw.

Dat dit een actueel thema is, blijkt wel uit de recente visie die minister Schouten heeft aangekondigd. D66 is blij om te lezen in het Omgevingsplan dat het college hieraan vanuit Zeeland ook een bijdrage wilt leveren. Zoals wij in de commissievergadering al hebben aangegeven, is op dit onderdeel in de Omgevingsverordening nog winst te boeken door in de definitie van wat onder ‘grondgebonden veehouderij’ wordt verstaan, duidelijk op te nemen dat daarbij enkel gronden in de directe omgeving van het agrarisch bedrijf mee kunnen tellen bij die beoordeling. Een amendement met die strekking dien ik bij deze in. Wij hebben gemeend geen harde afstandscriteria op te hoeven nemen in ons voorstel. De Agrarische Adviescommissie Zeeland (AAZ) die gemeenten over dit soort vraagstukken adviseert, moet naar onze mening in staat zijn om te kunnen adviseren wat onder ‘directe omgeving’ wordt verstaan. Dat gronden in Noord-Frankrijk of Twente niet in de directe omgeving van Zeeland liggen, zal de AAZ denken wij ook wel begrijpen.

Tot slot voorzitter, in tegenstelling tot het huidige Omgevingsplan, geldt het nieuwe plan en de daarbij behorende verordening ‘voor altijd’. Een einddatum wordt niet meer aan het plan gekoppeld, omdat de nieuwe Omgevingswet dat straks ook niet langer zal voorschrijven. Echter.

Geen van ons kan in de toekomst kijken en we weten nu niet welke ontwikkelingen op onze provincie af zullen komen. Past een gewenste ontwikkeling niet binnen de regels van de verordening, dan zullen Provinciale Staten die met een partiële herziening moeten wijzigen. Wij hebben dat in deze periode bijvoorbeeld ook gedaan om meer ruimte te bieden aan diervriendelijke veehouderijen.

Soms echter is het nog niet duidelijk of een ontwikkeling gewenst is of niet. Daarvoor moet eerst een tijdelijk experiment worden uitgevoerd. De huidige verordening kent wel een bepaling om toekomstige, nu nog onbekende, ontwikkelingen permanent mogelijk te maken. Een bepaling voor tijdelijke experimenten ontbreekt echter nog.

Hoewel het ambtelijk advies naar aanleiding van onze vragen in de commissie, wat afwachtend is (wellicht kunnen we het meenemen bij de Omgevingsvisie), is D66 van mening dat niets eraan in de weg staat om een voor tijdelijke projecten op het gebied met een innovatief karakter, die bijdragen aan de leefbaarheid, klimaatdoelstellingen of energietransitie onder voorwaarden best mogelijk zouden moeten zijn. Een amendement van deze strekking dien ik bij deze dan ook bij u in. Ons voorstel voegt een experimenteerbepaling toe aan de verordening voor tijdelijke projecten (met een duur van maximaal 5 jaar) die -onder voorwaarden- gedurende het experiment af mogen wijken van een of meer bepalingen uit de verordening. Hiermee bouwen we flexibiliteit in onze regelgeving in om nieuwe (nu nog onbekende) ontwikkelingen tijdelijk te kunnen faciliteren.

Zoals gezegd voorzitter: het Omgevingsplan en de Omgevingsverordening zijn vooral een voortzetting van het bestaande beleid op het gebied van ruimtelijke ordening en milieu sinds het midden van de jaren 1990. Op zichzelf is er niets tegen een lange en consistente beleidslijn. Dat is immers voorspelbaar en draagt bij aan een stabiel investeringsklimaat. We moeten ons alleen wel bewust zijn van het feit dat veranderingen in onze samenleving in een steeds sneller tempo op ons af komen. De ontwikkelingen in de verblijfsrecreatie zijn daarvan een heel duidelijk voorbeeld. Daar waar 20 jaar geleden in onze provincie bijvoorbeeld nog een grote markt bestond voor traditionele kampeerterreinen en grote jachthavens, is dat anno 2018 heel anders. We hebben deze week in de regionale media -en vandaag ook hier op het Abdijplein- gezien dat die veranderingen lang niet door iedereen als vanzelfsprekend worden gezien. Laat staan de vraag of die veranderingen vanzelfsprekend ook altijd verbeteringen zijn!

Het Zeeuwse omgevingsbeleid moet naast consistent, ook toekomstbestendig zijn. Ik hoop dan ook dat uw college spoedig aan de slag gaat met een -echte- visie op onze provincie!

Motie 2 – D66, GL, CU, SP – Aandachtsgebied Veerse Meer, origineel

 

Gepubliceerd op 15-10-2018 - Laatst gewijzigd op 15-10-2018